IJslanders zijn stoere, nuchtere paarden. Een heel natuurlijk en sober ras. De paarden staan 24 uur per dag buiten in de wei. In alle jaargetijden. Daar voelen ze zich het beste bij. Ze vormen een natuurlijke kudde. Door de paarden vaak te bekijken in hun omgang met elkaar in de kudde, leer je de paardentaal kennen. Die kennis kun je gebruiken tijdens het rijden en bij je omgang met je paard. Hoe meer je van elkaar begrijpt hoe beter je met elkaar om kunt gaan.

IJslanders blijven onder alle omstandigheden zichzelf, je hebt daardoor met echte karakters te maken, niet met keurig gedresseerde paardjes. Ieder paard heeft zijn eigen karakter. Het is een mooie leerzame uitdaging met ze om te gaan en ze te leren kennen. Door bewust het karakter van een bepaald paard met het karakter van een bepaald kind in contact te brengen ontstaan waardevolle leermomenten. Door vaak te wisselen van paard leer je niet alleen je paard maar ook jezelf steeds beter kennen, wat past bij jou, wat vindt je leuk of juist niet en wat is spannend in een bepaald paard? Kun je een dergelijk contact opbouwen dat het paard naar jou gaat luisteren?

Hun nuchterheid maakt ze betrouwbaar en stabiel. Ze zijn precies hoog genoeg voor alle maten kinderen en sterk genoeg om ook volwassen ruiters met gemak te dragen.

IJslanders zijn mooi en sterk en hebben een hoog knuffelgehalte, zeker in de winter als ze eruit zien als warme beren. Als je dat fijn vindt kun je meehelpen bij de verzorging van de paarden; hooi voeren en water geven, zomers borstelen, hoeven krabben, en natuurlijk kriebelen en aaien en al je verhalen toevertrouwen aan die zachte draaiende oren.

Ze hebben twee extra gangen, de tolt en de telgang die sommige paarden in de kudde beheersen.

Tölt

In de tölt zet het paard zijn benen hetzelfde neer als in de stap. Het gaat alleen sneller. In de tölt heeft het paard geen zweefmoment. Dat betekent dat er altijd een voet aan de grond is, het paard maakt dus geen ‘sprongetje’. En daardoor zit een goede tölt zeer comfortabel, ook op hoge snelheid.

Telgang

In de telgang beweegt de IJslander de twee benen aan één kant tegelijk. Dus eerst gaan het linker achter- en voorbeen tegelijk naar voren, dan het rechter achter- en voorbeen. Daartussen is een zweefmoment: alle vier de benen zijn even los van de grond. In deze gang kan de IJslander erg hard gaan. Je ziet ook vaak IJslanders in een langzame telgang lopen. Uit de benaming schweinepass blijkt al wel dat deze vorm van ‘telgang’ niet gewaardeerd wordt. Niet alle IJslanders kunnen telgangen. Paarden met alleen tölt noemt men viergangers; als ze ook aanleg hebben voor telgang spreekt men van vijfgangers.

Bij veel IJslanders lopen de gangen min of meer in elkaar over. Het vraagt daardoor wel wat techniek en veel gevoel van de ruiter om de verschillende gangen goed te rijden. Dit zorgt voor extra uitdagingen voor de ruiter.

Contact